Wrakingsverzoek advocaat misbruikt als vertragingstactiek, wrakingsverbod opgelegd
ECLI:NL:GHAMS:2026:2947, Gerechtshof Amsterdam, 18-09-2026, 200.374.238 en 200.374.240
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Wraking. Verzoeksters niet-ontvankelijk in verzoek tot wraking van griffiers en verklaart het verzoek tot wraking van raadsheren kennelijk ongegrond. Wrakingsverbod.
Kern van de zaak
Verzoeksters, bijgestaan door mr. Bartels, dienden een wrakingsverzoek in tegen raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam. De wraking was gebaseerd op het niet toewijzen van een aanhoudingsverzoek, het niet voegen van stukken in het dossier en het ontbreken van digitale toegang tot rechtbankdossiers. De wrakingskamer diende te beoordelen of deze gronden de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren.
Beslissing van de rechter
Het wrakingsverzoek is afgewezen en verzoeksters zijn niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de wraking van de griffiers. De wrakingskamer heeft daarnaast een wrakingsverbod uitgesproken voor de hoofdzaken, omdat mr. Bartels het wrakingsinstrument stelselmatig misbruikt als vertragingstactiek.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte precedentwerking op rechtsniveau maar is praktisch relevant vanwege het expliciete wrakingsverbod en de ambtshalve constatering van misbruik door een specifieke advocaat, wat mogelijk bredere gevolgen heeft voor diens praktijkvoering.
Belangrijkste punten
- 1Wraking van de griffier is wettelijk niet mogelijk (art. 8:15 Awb); verzoeksters zijn niet-ontvankelijk op dit punt.
- 2Een rechterlijke procesbeslissing (zoals afwijzing aanhoudingsverzoek) kan geen grond voor wraking vormen; wraking is geen verkapt rechtsmiddel.
- 3Niet-voegen van stukken en ontbreken van digitale toegang leveren geen aanwijzing op voor vooringenomenheid van de raadsheren.
- 4De wrakingskamer stelt misbruik van het wrakingsmiddel vast en legt een wrakingsverbod op voor toekomstige verzoeken in de hoofdzaken.
- 5De wrakingskamer constateert ambtshalve dat mr. Bartels bij herhaling in geclusterde zaken ongegronde wrakingsverzoeken indient, wat duidt op een structureel patroon.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de grenzen van het wrakingsinstrument: procesbeslissingen kunnen geen grond vormen voor wraking en misbruik kan leiden tot een wrakingsverbod. De ambtshalve constatering van een structureel patroon bij mr. Bartels kan tuchtrechtelijke consequenties meebrengen.
Praktische impact
Verzoeksters kunnen in de hoofdzaken geen nieuwe wrakingsverzoeken meer indienen, waardoor verdere vertraging via dit middel geblokkeerd is. Mr. Bartels wordt feitelijk beperkt in zijn procesvoering in deze zaken.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de integriteit en doelmatigheid van de rechtsgang bij overheidsinstanties en benadrukt dat procesrechtelijke instrumenten niet als obstructiemiddel mogen worden ingezet.
Samenvatting
Op 18 september 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een wrakingsprocedure ingesteld door verzoeksters, bijgestaan door mr. Bartels, tegen meerdere raadsheren die hun hoger beroepszaken behandelden. De wraking was gegrond op drie pijlers: het niet honoreren van een aanhoudingsverzoek wegens gezondheidsredenen van de advocaat, het niet voegen van stukken in het dossier, en het ontbreken van digitale toegang van mr. Bartels tot de rechtbankdossiers. Tevens richtte het verzoek zich tegen de griffiers. De wrakingskamer wees het verzoek integraal af. Ten aanzien van de griffiers werden verzoeksters niet-ontvankelijk verklaard, omdat artikel 8:15 Awb uitsluitend wraking van rechters mogelijk maakt. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek kon evenmin als wrakingsgrond dienen: het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich ertegen dat een procesbeslissing via wraking wordt aangevochten. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel. De overige gronden — het niet-voegen van stukken en de toegangsproblematiek — leverden naar het oordeel van de wrakingskamer geen enkele aanwijzing op voor subjectieve of objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid bij de raadsheren. Bijzonder aan deze uitspraak is de vaststelling van misbruik van het wrakingsinstrument. De hoofdzaken waren als gevolg van de wrakingsindiening automatisch aangehouden, terwijl de raadsheren eerder al hadden geweigerd aan te houden. Daarmee werd wraking uitsluitend ingezet om de procedure te vertragen. De wrakingskamer legde daarom een wrakingsverbod op: toekomstige wrakingsverzoeken in de hoofdzaken worden niet meer in behandeling genomen. Bovendien constateerde de wrakingskamer ambtshalve dat dit gedrag van mr. Bartels geen incident is; hij staat bekend om het bij herhaling indienen van ongegronde wrakingsverzoeken in geclusterde zaken, hetgeen een structureel patroon van processueel misbruik vormt.